Gemeenten kunnen bijdragen aan het versterken van het netwerk rondom jonge mantelzorgers. Door de gezinssituatie van zorgvragers in kaart te brengen via WMO-medewerkers en buurtteams kunnen jonge mantelzorgers tijdig gesignaleerd en ondersteund, dan wel doorverwezen worden.

Leefstijl

De leefstijl van kinderen en jongeren is van grote invloed op (toekomstige) gezondheid. Hieronder is informatie opgenomen over het gebruik van genotmiddelen zoals alcohol, roken en drugs en over voeding en bewegen. Ook wordt inzicht gegeven in de seksuele gezondheid van de Zuid-Limburgse jeugd en de gemiddelde leeftijd waarop wordt gestart met risicogedrag.

Selecteer het thema en het bijbehorende subthema:

Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form
Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form

Gemeente

Trends

Geografische vergelijking
13-16 jarigen in 2015

Bron: Gezondheidsmonitor Jeugd 13-16 jarigen GGD Zuid Limburg 2015

Verschil tussen leeftijdsgroepen in 2015

Verschil tussen jongens en meisjes in 2015

Verschil tussen opleidingsniveau's in 2015

Bron: Gezondheidsmonitor Jeugd 13-16 jarigen GGD Zuid Limburg 2015

Alcohol

Op jonge leeftijd beginnen met alcohol drinken heeft grote maatschappelijke gevolgen. Alcoholgebruik kan bij jongeren tijdens de groei ernstige hersenschade veroorzaken, wat invloed kan hebben op leerprestaties. Bovendien hebben jongeren die vroeg beginnen met drinken een grotere kans op alcoholgerelateerde problemen en verslaving op latere leeftijd. Ook is er een vergroot risico op schooluitval en betrokkenheid bij overlast en geweld.

NIX18

Per 1 januari 2014 is de wettelijke leeftijdsgrens voor alcoholgebruik en roken verhoogd naar 18 jaar. Ter ondersteuning van deze maatregel is eind 2013 de landelijke NIX18-campagne gestart met als doel het versterken van de sociale norm ‘niet drinken en roken tot je 18e‘. Uit effectonderzoek naar de campagne NIX18 blijkt dat het drinkgedrag onder jongeren lijkt te verbeteren: steeds meer 18-minners geven aan dat ze geen alcohol drinken (2013: 55%, 2014: 64%). Ook blijkt dat steeds meer ouders de sociale norm - het is normaal om niet te roken en te drinken onder de 18 - omarmen (2013: 64%, 2014: 71%) en daar ook steeds vaker afspraken over maken met hun kinderen (2013: 21%, 2014: 31%) (van den Berg et al., 2015).

Trend in drinkgedrag in Zuid-Limburg

Ook in Zuid-Limburg is een dalende trend te zien in het recente alcoholgebruik en binge drinken van jongeren tussen 13 en 16 jaar. Sinds 2005 is het percentage 13 jarigen die recent gedronken hebben gedaald van 40% naar 10%. Bij de oudste groep leerlingen (16 jarigen) is recent drinken gedaald van 76% naar 57%. Voor binge drinken is de daling ook zichtbaar. In de groep dertienjarigen is binge drinken gedaald van 18% in 2005 naar iets minder dan 9% in 2015 en in de groep zestienjarigen van 57% in 2005 naar bijna 48% in 2015.

Huidig drinkgedrag van jongeren in Zuid-Limburg

In 2015 gaf 1 op de 8 van de 13-14 jarigen en ongeveer de helft van de 15-16 jarigen in Zuid-Limburg aan recent alcohol te hebben gedronken. Jongeren die alcohol drinken, lijken dit ook meteen veel te doen: ongeveer driekwart van de 13-16 jarigen die alcohol drinken, gaf aan recent 5 of meer drankjes te hebben gedronken bij 1 gelegenheid. Oudere leerlingen zijn vaker dronken of aangeschoten geweest dan jongere leerlingen (27% vs. 5%). Tussen jongens en meisjes is er weinig verschil in alcoholgebruik. Naarmate het opleidingsniveau daalt, wordt er vaker gedronken.

Alcoholgerelateerde ziekenhuisopnames

Ondanks NIX18 en de toegenomen strengheid van ouders, neemt het aantal minderjarige jongeren dat in het ziekenhuis behandeld moet worden voor alcoholgerelateerde klachten zowel landelijk als in Zuid-Limburg toe (2014: 42 alcoholintoxicaties bij minderjarige jongeren in Zuid-Limburg en 545 landelijk; 2015: 70 alcoholintoxicaties in Zuid-Limburg en 691 landelijk). Wel is het aandeel 15-minners onder de opgenomen jongeren, vergeleken met 2007, beduidend afgenomen en is de gemiddelde leeftijd van de opgenomen jongeren ongeveer een half jaar gestegen (Van der Lely et al., 2016).

Alcoholverstrekking via sociale omgeving

De meeste jongeren komen aan de alcohol via familie en/of vrienden (sociale beschikbaarheid). Een beperkte groep jongeren (17%) koopt zelf alcohol (commerciële beschikbaarheid). Sinds 2013 is de commerciële beschikbaarheid afgenomen en de sociale beschikbaarheid verder toegenomen.

Regels van ouders omtrent alcoholgebruik

Ouders stellen vaker regels op voor het drinken van alcohol en zijn minder tolerant geworden over het drinken van alcohol door hun kinderen. Met name in de leeftijdsgroep 13-14 jarigen geven meer jongeren aan met hun ouders afspraken te hebben gemaakt tot wanneer zij geen alcohol mogen drinken. Ook is er een daling te zien in het aantal jongeren dat thuis of op een feestje één of meerdere glazen alcohol mag drinken. Jongeren met een hoger opleidingsniveau en leerlingen van de vierde klas geven vaker aan van de ouders alcohol te mogen drinken.

Geografische verschillen

Vergeleken met heel Nederland drinken jongeren in Zuid-Limburg vaker 5 of meer drankjes bij één gelegenheid (22% vs. 26%). Voor wat betreft recent dronken of aangeschoten geweest, zijn er nauwelijks verschillen met heel Nederland. Binnen de regio zijn er wel verschillen tussen de gemeenten. In de gemeenten met de hoogste percentages jongeren die alcohol drinken, blijkt de sociale en commerciële beschikbaarheid van alcohol het hoogst. Ook is het percentage jongeren dat aangeeft afspraken met de ouders te hebben omtrent de leeftijd tot wanneer zij geen alcohol mogen drinken in deze gemeenten het laagst.

Welke aanpak werkt?

Integrale aanpak cruciaal

Een cruciaal kenmerk van effectief alcoholbeleid is een integrale benadering van de problematiek rondom alcohol (Reynolds, 2003; Mulder et al., 2013). De belangrijkste pijlers waarop alcoholbeleid dient te zijn gebaseerd zijn: regelgeving, handhaving en educatie/publiek draagvlak. Het creëren van bewustwording bij alcoholverstrekkers, ouders en jongeren is een noodzakelijke voorwaarde voor gedragsverandering. Door het versterken van de handhaving via de mogelijkheden in de Drank- en Horecawet kunnen aanvullende effecten bereikt worden op het terugdringen van de beschikbaarheid van alcohol voor jongeren.

Uit onderzoek van Babor et al. (2010) blijkt dat maatregelen die de beschikbaarheid van alcohol beperken het meest effectief zijn in het terugdringen ervan. Omgevingsfactoren die van invloed zijn op het drinkgedrag van jongeren:

- De prijs van alcohol      
- Het beschikbare assortiment
- Het aantal verkooppunten
- De leeftijdsgrenzen en naleving en handhaving daarvan
- De aanwezige promotie van alcohol
- De normen in de sociale omgeving van het individu (bijvoorbeeld van ouders)
- Het overheidsbeleid

Een eenzijdige aanpak gericht op slechts één of twee van dergelijke factoren is minder effectief. Preventiestrategieën die gebaseerd zijn op handhaving van wet- en regelgeving, training van alcoholverstrekkers, instellen van alcoholvrije zones en intensieve media-aandacht zijn potentieel succesvoller (Holder e.a., 1999).

Landelijke aanpak

Het Nederlands instituut voor alcoholbeleid STAP heeft op 1 november 2016 een landelijk alcoholmanifest opgesteld met tien andere organisaties, waaronder GGDGHOR Nederland (STAP, 2016). De kern van de adviezen in het manifest is dat een verhoging van de prijs van alcohol, een beperking van het aantal verkooplocaties en een verbod op alcoholreclame het fundament dient te zijn van een effectief landelijk en lokaal alcoholbeleid.

Zuid-Limburgse aanpak: Jeugd, alcohol & omgeving

Sinds 2010 werken verschillende Zuid-Limburgse organisaties samen aan de implementatie en borging van het regionale beleidsplan “Jeugd, Alcohol en Omgeving”. Tot 1 september 2015 is met inzet van alle 18 Zuid-Limburgse gemeenten ingezet op alcoholmatigingsbeleid bij jongeren. Cruciaal hierbij was de verbinding tussen de verschillende beleidsterreinen (handhaving, gezondheid, jeugd)  en tussen de verschillende organisaties: GGD Zuid Limburg, Mondriaan, gemeenten, ziekenhuizen, OM, politie, en Halt. In lokale uitvoeringsplannen moet het beleid verder vorm en inhoud krijgen.

Aanknopingspunten voor beleid

- QuickScan in de wijk

Breng de situatie per gemeente en/of wijk in kaart, teneinde zicht te krijgen op hotspots (plekken waar jongeren veel samenkomen en alcohol beschikbaar is) en benodigd specifiek beleid en interventies.

- Voorlichting aan ouders en jongeren vanaf 13 jaar

Uit de cijfers blijkt dat beschikbaarheid van alcohol in met name de thuissituatie groot is. Kennis bij ouders en jongeren over de gevolgen van alcoholgebruik is en blijft een aandachtspunt. Voorlichting op scholen, bij ouderavonden en door middel van folders en spotjes kan bijdragen aan bewustwording. Hiertoe kunnen regionale initiatieven worden genomen, gecombineerd met voorlichting over roken en cannabis.

- Belangrijke rol voor scholen

Nagenoeg alle jongeren tot 16 jaar gaan naar school. Scholen zijn dan ook belangrijke samenwerkingspartners in het signaleren van jongeren met problemen, ook als het gaat om gebruik van alcohol en andere verdovende middelen. Door scholen goed te informeren en leerkrachten te scholen, kunnen zij in de toekomst beter signaleren en handelen.

- Beperken beschikbaarheid alcohol

Minder alcoholverkooppunten, verbod op verkoop van alcohol via internet, beperking van horeca-openingstijden en verbod op happy hours zorgt ervoor dat jongeren moeilijker aan alcohol kunnen komen.

- Screening en vroegsignalering beginnende alcoholproblemen

Hoe eerder een jongere met problemen herkend wordt, hoe beter hij/zij geholpen kan worden door de juiste instantie of professional. Belangrijk is daarom de rol die verslavingszorg en JGZ vervullen t.a.v. screening, vroegsignalering en doorverwijzing.

- Toezicht en handhaving

Geadviseerd wordt toezicht en handhaving regionaal in te richten teneinde deze taak te uniformeren in alle gemeenten en BOA’s beter inzetbaar en meer herkenbaar te maken.  Aan de hand van landelijke protocollen kan een kwaliteitsverbetering in deze taak worden doorgevoerd. Ook kan op regionaal niveau worden gewerkt met mystery-shoppers bij de handhaving van de Drank- en Horecawet.

Bewegen

Bewegen is belangrijk voor het gezond opgroeien van jongeren. Jongeren die sporten en bewegen voelen zich gezonder, fitter, sterker en leren spelenderwijs tal van vaardigheden. Daarnaast verlagen sport en beweging het risico op ziekten zoals diabetes, overgewicht en depressie. Kinderen die op jonge leeftijd voldoende sporten en bewegen, zijn ook op latere leeftijd vaker actief. Het is dan ook van groot belang dat al jong de basis wordt gelegd voor een actieve leefstijl. Volgens de Nederlandse Norm Gezond Bewegen dienen jongeren (tot 18 jaar) dagelijks één uur matig intensief lichamelijk actief te zijn, waarbij de activiteiten minimaal twee keer per week zijn gericht op het verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid (kracht, lenigheid en coördinatie).

Sport en bewegen

Twee derde van de 13-16 jarigen in Zuid-Limburg is lid van een sportvereniging. Hierbij zijn grote verschillen tussen gemeenten zichtbaar: de range van het aantal jongeren dat aangeeft lid te zijn van een sportvereniging is 56% tot 76%. Er is sprake van een stabiele trend. Jongens zijn vaker lid van een sportvereniging dan meisjes. Daarnaast is bijna drie kwart van de jongeren in hun vrije tijd minimaal één dag per week lichamelijk actief buiten verenigingsverband. Ze voetballen dan op straat, fietsen, lopen hard, skeeleren, zwemmen, enzovoorts. Bijna 25% van de jongeren die geen lid zijn van een sportvereniging, is ook niet lichamelijk actief buiten verenigingsverband. Het is niet duidelijk of deze jongeren wel aan hun dagelijkse lichamelijke activiteit komen door naar school te lopen of fietsen.

Naarmate jongeren ouder worden, gaan ze minder bewegen in hun vrije tijd. Tussen de 13-14 jarigen en 15-16 jarigen is geen verschil waarneembaar in het aantal dat lid is van een sportvereniging. Bij lidmaatschap van een sportvereniging zien we verschillen tussen jongeren van verschillende opleidingsniveaus: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe vaker men lid is van een sportvereniging. Bij bewegen in de vrije tijd buiten verenigingsverband is geen verschil te zien tussen opleidingsniveaus.

Veel jongeren actief naar school

Het merendeel van de jongeren gaat 5 dagen per week met de fiets of lopend naar school. Hierbij is nauwelijks verschil waarneembaar tussen leeftijdsgroepen en jongens en meisjes. Naarmate het opleidingsniveau stijgt, gaan jongeren vaker lopend of fietsend naar school. Ook zijn er grote verschillen tussen gemeenten: de range in dagelijks lopen of fietsen naar school is van 37% tot 94%.

Tijdsbesteding beeldscherm

Naarmate jongeren ouder worden, neemt de duur van tv kijken en computergebruik toe. Ook is er een duidelijk verschil tussen opleidingsniveaus: hoe lager het  opleidingsniveau, hoe meer vrije tijd jongeren besteden achter de tv of computer.

Roken

Experimenteren met genotmiddelen hoort bij de puberteit. Het gebruik van genotmiddelen is één van de belangrijkste vormen van risicogedrag onder jongeren. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat (overmatig) gebruik van genotmiddelen op jonge leeftijd aanzienlijke risico’s op (blijvende) gezondheidsschade met zich meebrengt (Baker e.a., 2016).

Aantal jeugdige rokers in Zuid-Limburg neemt af

Steeds minder jongeren roken tabak. Sinds 2005 is het percentage rokers gehalveerd. Jongeren starten ook steeds later met roken: het percentage rokers onder de 15-16 jarigen is bijna drie keer zo hoog als onder de 13-14 jarigen. Naarmate het opleidingsniveau stijgt, neemt het aantal rokers af. Daarnaast roken iets meer jongens dan meisjes.

Beschikbaarheid sigaretten via sociale omgeving

Sinds 1 januari 2014 is het verboden om sigaretten te verkopen aan jongeren onder de 18 jaar. De meeste jongeren komen dan ook via familie en/of vrienden (sociale beschikbaarheid) aan tabak. Een klein deel van de jongeren, en dan met name de 15-16 jarigen, geeft aan zelf tabak te kunnen kopen (commerciële beschikbaarheid).

Invloed ouders

Naarmate jongeren ouder worden, geven zij vaker aan dat ze mogen roken van hun ouders. Mag in de tweede klas van het voortgezet onderwijs 7% van de jongeren van hun ouders een trekje van een sigaret nemen, in de vierde klas is dit al bijna 20%. Naarmate het opleidingsniveau stijgt, zijn ouders over het algemeen strenger met betrekking tot roken. Naarmate het opleidingsniveau van de jongeren daalt, wordt vaker thuis binnen gerookt (14% havo/vwo; 29% vmbo).

Shisha-pen

Een shisha-pen, ook wel E-shisha, electronic shisha of E-hookah genoemd, is een verdamper in de vorm van een pen die in allerlei kleuren en smaken verkrijgbaar is. Ondanks de dalende trend in roken, heeft de helft van de 15-16 jarigen wel eens een shisha-pen gerookt. Bij lagere opleidingsniveaus geven de leerlingen vaker aan ooit een shisha-pen gerookt te hebben. Het Trimbos-instituut ziet de intrede van de shisha-pen en de gesignaleerde populariteit ervan onder jongeren als een zorgelijke ontwikkeling. Naast de mogelijke gezondheidsrisico’s bootst het gebruik van de pen ook het roken van een sigaret na. Hoewel hier nog onvoldoende onderzoek naar is gedaan, bestaat het risico dat de shisha-pen de stap naar het roken van sigaretten verkleint (Gouwe, 2013).

Geografische verschillen

Er zijn grote verschillen tussen gemeenten met betrekking tot het rookgedrag van jongeren. De range in het percentage rokers tussen gemeenten loopt uiteen van 3,7 % tot 14,5%. Ook is er een groot verschil tussen gemeenten in beschikbaarheid van tabak voor jongeren en het roken van ouders thuis. Met name in Parkstadgemeenten zijn ouders het meest tolerant met betrekking tot roken en wordt het vaakst thuis binnen gerookt.

Drugs

Drugs zijn middelen die het bewustzijn beïnvloeden. Ze kunnen een verdovende of stimulerende werking hebben of de waarneming veranderen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen softdrugs (hasj/wiet) en harddrugs (XTC, cocaïne, paddo’s, amfetamine, LSD, GHB, heroïne, lachgas). Langdurig druggebruik kan leiden tot verslaving en een vergrote kans op schizofrenie, psychoses, depressie en angststoornissen. Op korte termijn kan druggebruik geheugenverlies en concentratiestoornissen veroorzaken.

Tieners vormen een risicogroep om in aanraking te komen met drugs. Ze zijn gevoelig voor de invloed van de omgeving en vaak onvoldoende in staat om gezondheids- of verslavingsrisico’s in te schatten. Wanneer jongeren problemen op school hebben, verhoogt dit de kans dat zij drugs gaan gebruiken; omgekeerd kan druggebruik de motivatie om goed te presteren verminderen.

Lichte daling gebruik softdrugs

De trend in het gebruik van softdrugs (hasj/wiet) is licht dalende. In 2005 had bijna 14% van de jongeren ooit hasj/wiet gebruikt, in 2015 lag dat rond 11%. Qua recent gebruik (afgelopen 4 weken) zijn nauwelijks verschillen merkbaar. In 2015 gaf rond de 2% van de 13- tot 14-jarigen en rond 10% van de 15- tot 16-jarigen aan recent hasj/wiet gebruikt te hebben; dat is niet veranderd sinds 2005. Jongens zijn vaker geneigd softdrugs te gebruiken dan meisjes. Er zijn geen grote verschillen in opleidingsniveau voor wat betreft druggebruik.

Gebruik harddrugs

Het percentage jongeren dat ooit harddrugs heeft gebruikt, ligt voor 13-14 jarigen onder de 1% en voor 15-16 jarigen rond de 3%. Er zijn echter verschillen tussen gebruik per type harddrug. Zo is XTC al jaren de meest gebruikte harddrug onder 15-16 jarigen. Het gebruik van de overige harddrugs (cocaïne, heroïne, GHB, paddo’s, amfetamine) komt veel minder vaak voor onder jongeren. Er zijn geen grote verschillen te zien tussen jongens en meisjes of opleidingsniveau voor wat betreft het gebruik van harddrugs.

Opvallende opkomst van lachgas

Een opvallend verschijnsel is het gebruik van lachgas, een gas dat in de geneeskunde wordt gebruikt om patiënten kortstondig onder narcose te brengen. Lachgas wordt ook gebruikt als drijfgas voor slagroomspuiten. Lachgas wordt als drug meestal geïnhaleerd via een ballon die wordt gevuld met een patroon via een slagroomspuit. Het inhaleren zorgt voor een kortdurende maar sterke roes. Lachgas valt onder de Geneesmiddelenwet en gebruik is niet strafbaar. Hoewel de aard en omvang van gebruik nog geen aanleiding hebben gegeven tot algemene voorlichtingscampagnes, waarschuwt het Trimbos Instituut voor de gezondheidsrisico’s die verbonden zijn aan het gebruik van lachgas (Goor, 2015). Het gebruik van lachgas is in 2015 voor het eerst gemeten en bleek in dit jaar de meest gebruikte “harddrug” onder de Zuid-Limburgse jongeren. Circa 6% van de 15-16 jarigen en 2% van de 13-14 jarigen heeft hiermee geëxperimenteerd.

Geografische verschillen

Er zijn grote verschillen tussen de gemeenten voor wat betreft druggebruik onder jongeren. Zo is de range voor het ooit hebben gebruikt van softdrugs 3% tot 15% en voor harddrugs 0,5% tot 3,5%. In de gemeenten met het hoogste percentage druggebruik onder jongeren is ook de sociale en commerciële beschikbaarheid van softdrugs het hoogst.

Seksualiteit

Bij het aanleren van een gezonde leefstijl bij jongeren is aandacht voor hun seksuele gezondheid belangrijk. Jongeren leren hierdoor hoe ze hun relaties vrijwillig, veilig en prettig vorm kunnen geven en problemen als seksuele dwang, soa’s en ongewenste zwangerschap kunnen voorkomen.

1 op de 7 jongeren seksueel actief

Ongeveer 1 op de 7 jongeren van klas 2 en 4 van het voortgezet onderwijs heeft ooit geslachtsgemeenschap gehad, waarvan jongens wat vaker dan meisjes. Jongeren die een lager opleidingsniveau volgen, geven vaker aan geslachtsgemeenschap te hebben gehad dan leerlingen die een hoger opleidingsniveau volgen. Ongeveer de helft van deze seksueel actieve jongeren gebruikte daarbij altijd een condoom. Rond de 70% van de jongeren zegt voldoende seksuele voorlichting te hebben gehad. Vierdeklassers geven dit vaker aan dan tweedeklassers, maar er blijkt nauwelijks verschil te bestaan tussen jongens, meisjes of opleidingsniveaus.

Afname seksueel actieve jongeren

Vergeleken met 2009 is het percentage seksueel actieve jongeren gedaald van bijna 33% naar circa 22%. Het percentage jongeren die onveilig vrijen (niet altijd een condoom gebruiken) is door de jaren heen niet veranderd; het is blijven steken op 50% van de seksueel actieve jongeren.

Afname sociale afstand homoseksuele jongeren

Sinds 2009 hebben minder scholieren moeite met de homoseksualiteit van andere jongeren (daling van 45% naar 31,5%). Aan de hand van een aantal stellingen hebben jongeren aangegeven wat ze wel of niet samen met een homoseksuele jongere zouden doen. Bijvoorbeeld: “een vriendschap met hem/haar sluiten”, “huiswerk samen maken”, of “laten merken dat ze van hem/haar af moeten blijven”. Meer dan 60% van de jongeren vindt het normaal als twee mannen of twee vrouwen verliefd zijn op elkaar. Met name meisjes (>70%) vinden homoseksualiteit normaal en naarmate een hoger opleidingsniveau wordt gevolgd, vinden meer jongeren het normaal.

Geografische verschillen

Vergeleken met heel Nederland (12,6%), geven Zuid-Limburgse jongeren vaker aan seksueel actief te zijn (14,2%). Tussen de Zuid-Limburgse gemeenten zijn er ook verschillen. De percentages variëren tussen 4,7% en 17%.

Voeding

Gezonde voeding is belangrijk voor een gezond lichaam en een gezond gewicht. Voeding heeft invloed op de groei en ontwikkeling en daarom is gezond eten essentieel. Zeker het ontbijt is een voorname energiebron voor de rest van de dag. Belangrijk zijn ook groente en fruit. Het Voedingscentrum adviseert kinderen tot en met acht jaar om dagelijks anderhalf stuks fruit eten en iedereen ouder dan 9 jaar twee stuks fruit. Het advies voor 4 tot 8 jarigen is om dagelijks 100 gram groente te eten, 150 gram voor 9 tot 13 jarigen en 200 gram groente vanaf 14 jaar (Voedingscentrum, 2016).

Ontbijt, groente en fruit

De meerderheid van de Zuid-Limburgse jongeren heeft de gezonde gewoonte om (bijna) elke dag te ontbijten. Slechts een kwart van de jongeren geeft aan minder dan 5 dagen per week te ontbijten. Hierbij is sprake van een stabiele trend. Daarentegen eten Zuid-Limburgse jongeren minder vaak elke dag groente en fruit. Slechts iets meer dan een kwart van de jongeren eet dagelijks fruit en twee van de vijf eet dagelijks groente. Echter, de dalende trend in fruit- en groenteconsumptie bij jongeren lijkt gestagneerd. Zowel bij fruit- als groenteconsumptie is niet gevraagd naar hoeveelheden die ze gebruiken. Hierdoor weten we niet hoeveel jongeren de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden halen.

Meisjes eten vaker groente en fruit dan jongens. Daarentegen ontbijten meisjes minder vaak in vergelijking met jongens. In vergelijking met 15-16 jarigen eten 13-14 jarigen iets vaker fruit. Bij het stijgen van het opleidingsniveau neemt ook de ontbijtfrequentie en consumptie van groente en fruit toe.

Frisdrank

In frisdrank en energiedrank zitten veel suikers. Regelmatig gebruik hiervan kan leiden tot overgewicht. Bijna een derde van de Zuid-Limburgse jongeren drinkt dagelijks frisdrank. Ook energiedrank is populair onder de jongeren; 1 op de 5 jongeren drinkt wekelijks energiedrank. Jongens drinken vaker frisdrank en energiedrank dan meisjes. Naarmate het opleidingsniveau stijgt, neemt de consumptie van frisdrank en energiedrank af. Er zijn grote verschillen tussen gemeenten: van 12% tot 28% wekelijks energiedrankgebruik en van 20% tot 36% dagelijkse frisdrankconsumptie.

Tussendoortjes

Iets meer dan 1 op de 10 jongeren snackt (hartig) dagelijks. Bijna 2 op de 5 jongeren in Zuid-Limburg snoept (zoet) dagelijks. Meisjes snoepen iets vaker dan jongens, terwijl jongens vaker snacken. Havo/vwo-leerlingen snoepen vaker dan vmbo-leerlingen; vmbo-leerlingen snacken daarentegen vaker.

Leeftijd eerste keer risicogedragingen

In de tienerjaren neemt risicogedrag bij jongeren toe. Jongeren krijgen in deze levensfase steeds meer autonomie en keuzemogelijkheden, maar kunnen de gevolgen van hun gedragingen nog niet altijd goed inschatten. Risicogedrag kan daarom een bedreiging vormen voor hun gezondheid, veiligheid en toekomstmogelijkheden (Boyer & Byrnes, 2009).

Leeftijd eerste risicogedrag stijgt

In de Gezondheidsmonitor Jeugd  worden de jongeren bevraagd of en op welke leeftijd ze zijn begonnen met drinken van alcohol, roken, gebruik van hasj/wiet of harddrugs en seksueel actief zijn geworden. Sinds 2005 is de gemiddelde leeftijd waarop jongeren zich risicovol beginnen te gedragen met ongeveer 1 jaar gestegen. Ze zijn nu bijvoorbeeld iets ouder als ze starten met drinken of roken.

Vroegst starten met alcohol

Het risicogedrag waar jongeren het vroegst mee beginnen, is het drinken van alcohol (gemiddeld op 12,6 jarige leeftijd). Daarna volgt roken (13,1 jaar) en rond hun 14e jaar beginnen sommige jongeren te experimenteren met drugs of worden ze seksueel actief. In vergelijking met meisjes, vertonen jongens op jongere leeftijd risicogedrag. Qua opleidingsniveau is er vrijwel geen verschil in leeftijd waarop jongeren risicogedrag beginnen te vertonen. Jongeren die een lager opleidingsniveau volgen, starten wel eerder met roken.

Geografische verschillen

In iedere Zuid-Limburgse gemeente beginnen jongeren rond dezelfde leeftijd risicogedrag te vertonen. De onderlinge verschillen zijn minimaal.